Verslag conferentie “Palestijn in Israël: ongewenst burger?”

Op 26 april organiseerde Palestina Solidariteit haar jaarlijkse conferentie, dit jaar met als titel ‘Palestijn in Israël, ongewenst burger?’.

 

De bedoeling van de conferentie was niet per se om na te gaan of Israël wel een democratie is. Het was eerder de bedoeling om te kijken of het nog mogelijk is de staat Israël een democratie te noemen. Het is voor velen al lang duidelijk dat Israël geen democratie is, maar toch wordt de staat steevast ‘the only democracy in the Middle East’ genoemd.

 

Voor deze conferentie had Palestina Solidariteit twee sprekers uitgenodigd. Neve Gordon is een Israëlisch academicus. Hij doceert politieke wetenschappen aan de Universiteit van Ben-Gurion in Israël. Khulood Badawi is een Palestijnse politica in Nazareth en is in Israël op een leidinggevend niveau betrokken bij verschillende joods-Palestijnse organisaties. De Israëlische professor in Talen en Onderwijs, Nurit Peled werd ook uitgenodigd, maar kon er niet bij zijn. Er werd wel een interview met haar afgespeeld. Het interview, dat zeker de moeite van het bekijken waard is, is toegankelijk via: https://www.youtube.com/watch?gl=BE&v=pWKPRC-_oSg.

 

 

Toevallig juist een dag voor de conferentie liet de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry zich ontvallen dat Israël een apartheidsstaat zou kunnen worden, wanneer er niet snel een twee statenoplossing zou komen. Hij stelde dat een eenheidsstaat als gevolg zou hebben dat Israël ofwel een apartheidsstaat met tweederangsburgers wordt ofwel dat de mogelijkheid voor Israël om een joodse staat te blijven, verdwijnt.

 

Apartheidstaat

 

Om te kunnen onderzoeken of Israël nu al een Apartheidsstaat is, is het nuttig de internationale juridische definitie van Apartheid van de Verenigde Naties te gebruiken. Die definitie zit vervat in de Convention on the Suppression and Punishment of the Crime of Apartheid of kortweg het Apartheidverdrag[1]. Dit verdrag vindt haar oorsprong in de internationale afkeer tegen het discriminerende en racistische beleid van de Zuid Afrikaanse overheid van 1948 tot 1990. Apartheid werd tussen 1952 tot 1990 jaarlijks veroordeeld door de Algemene Vergadering, omdat het inging tegen artikel 55 en 56 van het Charter van de Verenigde Naties. In 1966 werd Apartheid in resolutie 2202 A (XXI) door de Algemene Vergadering bestempeld als een misdaad tegen de menselijkheid.

 

Het Apartheidverdrag stelt dat Apartheid een misdaad is tegen de menselijkheid en dat de onmenselijke daden die uit de praktijken van Apartheid en uit gelijksoortige praktijken van raciale segregatie en discriminatie voortvloeien, internationale misdaden zijn. Artikel 2 stelt dat de misdaad van Apartheid ook praktijken van raciale segregatie en discriminatie vergelijkbaar zoals die in Zuid Afrika omvat. Hierdoor kan het verdrag dus ook toegepast worden op Israël.

 

Daden die binnen het verdrag vallen, zijn: moord, marteling, onmenselijke behandeling, willekeurige aanhoudingen, het opzettelijk opleggen van bepaalde levensomstandigheden aan een bepaalde groep, die erop gericht zijn fysieke vernietiging te veroorzaken, wetgevende maatregelen die discrimineren op politiek, sociaal, economisch en cultureel gebied, maatregelen die de bevolking langs raciale lijnen verdeelt, bijvoorbeeld door de oprichting van aparte woonwijken voor raciale groepen, het verbod op interraciale huwelijken en de vervolging van personen die tegen anti-apartheid zijn.

 

Zoals wel vaker het probleem bij internationale misdaden ontbreekt ook in dit geval een specifiek internationaal gerechtshof voor de specifieke misdaad. In 1980 was er sprake van de oprichting van een internationaal gerechtshof dat personen zou kunnen vervolgen die zich hadden schuldig gemaakt aan de misdaad van Apartheid, maar dat hof is er niet van gekomen.

 

Er werd toen gekozen voor een systeem waarbij het aan de lidstaten was om wetgeving aan te nemen om daders van apartheid te vervolgen, op de basis van universele bevoegdheid (‘universal jurisdiction’). Staten die partij zijn bij het Apartheidverdrag kunnen dus daders die geen onderdaan zijn van die staat vervolgen voor misdaden die begaan zijn in een staat die geen partij is bij het verdrag, in het geval de aangeklaagde zich fysiek in de bevoegdheid van de staat bevindt[2].

 

In de academische wereld is het aanvaard dat Israël een apartheidsstaat is. De vraag is, wat weten gewone mensen er van? Een filmpje, opgenomen in Gent en Brussel, toont aan hoeveel de gemiddelde Belg weet over de situatie in Israël. http://www.youtube.com/watch?v=AI_3TpYroLQ

 

Wie zijn de Palestijnen? Meestal wordt er meteen gedacht aan de mensen die in de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook wonen. Daarnaast zijn er ook de vluchtelingen die niet in de Palestijnse gebieden gebleven zijn, en zich over de hele wereld verspreid hebben. Een laatste categorie, die soms vergeten wordt, zijn de Palestijnen die in Israël wonen. Er kan verkeerdelijk gedacht worden dat zij een minder hard leven leiden, gezien zij het ‘geluk’ hebben in ‘de enige democratische staat’ te leven van het Midden Oosten, maar niets is minder waar.

 

In een ander filmpje vertelt een Palestijnse studente die in Jeruzalem studeert over wat zij ervaart als Palestijnse in Israël. Ze zegt dat het Palestijnen niet toegelaten wordt huizen te bouwen, ze krijgen geen vergunning. Als ze dan toch bouwen, zonder vergunning, wordt hun woning afgebroken. Palestijnen en Israëli’s betalen dezelfde belastingen, maar toch krijgen de wijken waar Israëli’s wonen parkeerplaatsen, speeltuinen, en worden de straten er regelmatig proper gehouden. In de Palestijnse wijken wordt de watertoevoer regelmatig afgesloten en zijn er geen transportmiddelen: bussen komen er niet.

 


Neve Gordon

 

Bij het spreken over Apartheid is het belangrijk te weten wat de grenzen van Israël zijn. De Green Line, de wapenstilstandslijn van 1949, tekent de facto de Israëlische staat af[3]. Dit wil zeggen dat de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook geen deel zijn van Israël. Dit zijn de bezette Palestijnse gebieden. Tegenstanders van de Israël apartheid-analogie houden vast aan het idee dat de Palestijnse gebieden niet onder Israëlische soevereiniteit vallen. Ze worden geregeerd door de Palestijnse Autoriteit en door Hamas, en dus is het gerechtvaardigd dat er een verschillende regeling is voor de inwoners van de Palestijnse gebieden en Israël.

 

Maar als je kijkt naar het gebied vanaf de Jordaanvallei tot de Middellandse zee, dan zie je dat dit feitelijk één staat is. Dit is niet de juridische situatie, maar de facto is er een één staat-situatie. In deze ene staat is er apartheid, gezien dat twee verschillende volkeren onder twee verschillende juridische systemen vallen. In de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook is er dus Apartheid, gezien het feit dat de Israëlische kolonisten die er wonen, onder een ander juridisch systeem vallen dan de Palestijnen.

 

Waar Gordon Neve het vooral over wil hebben, is de situatie in Israël zelf. In Israël hebben we te maken met segregatie en Apartheid. Volgens Neve Gordon is de Israëlische staat gebouwd op een hyper etnisch nationalisme. Voor Israël is het belangrijk om de meerderheid van de joodse etnische groep te behouden. We zouden kunnen zeggen dat Israël in plaats van een democratie een etnocratie is. De etnische identiteit is voor Israël vitaal, daarom wordt de bevolking geografisch verspreid over het gebied. De bedoeling is om het gebied te verjoodsen.

 

 

De organisatie van de ruimte

 

In 1949 woonden er 150 000 Palestijnen in Israël. Nu, 66 jaar later, wonen er 1 700 000 Palestijnen. In die tijd is er geen enkel Palestijns dorp of stad bij gekomen. Dit wil zeggen dat de Palestijnse woongebieden veel compacter geworden zijn en dat er bijna geen leefruimte meer is.

 

De bevolking van Israël, bestaande uit joodse Israëli’s en Palestijnse Israëli’s (Israël noemt hen Arab Israelis), wordt etnisch gescheiden. Er zijn geen Palestijnen die in joodse wijken of buurten wonen. Het zijn dus gesegregeerde wijken.

 

Het probleem is dat dit een vicieuze cirkel wordt. Er zijn namelijk geen wettelijke regels over waar Palestijnen of joden mogen wonen. Maar wijken ontstaan en de etnisch nationalistische logica gecombineerd met het rigide land regime zorgt voor een bepaald bewustzijn. … Dit alles is niet gebaseerd op een wet, maar komt gewoon door de verdeling van de bevolking in de ruimte.

 

Natuurlijk is er hierdoor ook segregatie in de scholen. Om het niveau van segregatie aan te duiden, kan dit tellen: er zijn 2 miljoen kinderen in Israël, en daarvan volgen er slechts 1500 les in een niet gesegregeerde school.

 

Gordon maakte zich voor zijn eigen kinderen grote zorgen over het onderwijs. Studies[4] in Israël toonden aan dat Israëlische jongeren racistische ideeën hebben tegenover Palestijnen. Onderwijs beïnvloedt de beleving van de wereld. Voor Gordon was de vraag hoe een kind in een conflictzone moet worden opgevoed en onderwezen.

 

Deze racistische houding is niet toevallig, volgens Gordon wordt die versterkt door het feit dat Israëlische en Palestijnse jongeren gewoon geen contact hebben met elkaar. Ze ontmoeten elkaar niet, ze spelen niet met elkaar; en zo wordt het idee van de ‘gevaarlijke ander’ in stand gehouden. De joodse kinderen zijn bang van de Palestijnen, en daarom worden ze racisten.

 

Na onderzoek stuitte Gordon op de ‘contact theory’ van Gordon W. Allport. De contact theorie stelt dat interpersoonlijke contacten één van de belangrijkste manieren is om vooroordelen tussen meerderheid -en minderheidsgroepen te verminderen. Een goed beheerd contact tussen twee groepen zou er voor kunnen zorgen dat de misverstanden en vooroordelen zouden verdwijnen. Om vooroordelen te doen verdwijnen, zijn er enkele voorwaarden waaraan het contact moet voldoen: (1) de beide partijen moeten een gelijke status hebben, dus best geen verschillen in academische achtergrond, rijkdom, kennis, ervaring; (2) de beide partijen moeten gemeenschappelijke doelen hebben; (3) er moet samenwerking zijn tussen de groepen; (4) het contact moet enigszins gesteund worden door instellingen; en (5) er moet persoonlijke informele interactie zijn. 

 

Gordon bedacht dat de enige manier waarop zijn kinderen geen racistische denkbeelden zouden aanhangen, is hen de mogelijkheid te geven om Palestijnse kinderen te leren kennen en samen met hen op school te zitten. Daarom richtte hij een nieuwe, niet gescheiden school op in Israël.

 

Een nieuwe, niet gescheiden school: de Hagar Jewish-Palestinian school

 

De kinderen op de nieuwe school krijgen niet het zionistische curriculum dat in de gewone Israëlische scholen onderwezen wordt. De bevolking van de school is 50/50, de helft Palestijnse kinderen, de helft joodse kinderen. In de school zijn nu 250 kinderen ingeschreven. Scholen in Israël kunnen 30% van het standaard curriculum afwijken. Dit is genoeg om een verschil te maken, gezien er in lessen zoals Engels en wiskunde niets verandert. Vooral geschiedenis is belangrijk.

 

Een eerste belemmering is natuurlijk de taal. Gordons bedoeling was dat de taal ook een brug zou kunnen zijn. De school is namelijk een tweetalige school. Elke klas heeft twee leraren: één Palestijnse leerkracht en één joodse leerkracht. Elk geeft uitsluitend les in zijn eigen taal en er is geen vertaling mogelijk. Er werd vanuit gegaan dat als kinderen jong genoeg zijn, ze hun achterstand in een bepaalde taal wel zouden inhalen.

 

Gezien in Israël en de Palestijnse gebieden de nationale geschiedverhalen zeer belangrijk zijn, worden beide verhalen in de school verteld. Het moment waarop de joden ‘Independence Day’ van Israël herdenken, is voor de Palestijnen immers de herdenkingsdag van de Nakba (de grote catastrofe – de verwoesting van de Palestijnse maatschappij in 1948). Het is niet gemakkelijk dit over te brengen naar kinderen van 4 jaar oud. De leraren pakken het zeer pragmatisch aan. Er wordt op een emotioneel niveau begonnen. Voor de Onafhankelijkheidsdag vertellen ze de kinderen dat met onafhankelijkheid ook verantwoordelijkheid komt. Verantwoordelijkheid voor een klein kind betekent zelf kleren kunnen aantrekken. Voor het verhaal van de Nakba leren ze de kinderen het basisconcept van je huis verliezen, je vriendjes en buren verliezen, je huisdieren en speelgoed verliezen. Hoe ouder de kinderen worden, hoe meer dimensies er worden toegevoegd aan het verhaal. Er wordt een moment van stilte gehouden voor de Nakba en voor de Holocaust. Op die manier wordt een situatie geschapen waarbij er rekening kan gehouden worden met de andere en hoe die andere anders is.

 

Er werd op die manier een joods Palestijnse gemeenschap geschapen. Niet enkel een gemeenschap van kinderen, ook de ouders zijn deel van het verhaal. De ouders gaan samen op uitstap, gaan samen naar de cinema. Zo maken ze geen deel meer uit van de gesegregeerde machine die de staat gecreëerd heeft.

 

Het belang van die school is een nieuwe, gemeenschappelijke toekomst creëren. Het is een alternatief model om de bevolking uit de racistische realiteit te lichten.

 

 

Khulood Badawi

 

Volgens Badawi is Israël zeer democratisch, voor de joden welteverstaan. Op vlak van mensenrechten is er een groot verschil. Zij woont in Nazareth, de grootste Palestijnse stad in Israël. Ze merkt een groot verschil op, op vlak van infrastructuur, openbaar vervoer, onderwijs, openbare ruimte, … Sinds in 2009 de meest rechtse coalitie in de geschiedenis van Israël het voor het zeggen heeft in het Israëlische parlement, zijn er meer dan 50 discriminerende wetten aangenomen. Deze wetten gaan over grondbezit, politieke organisatie, gezondheidszorg, … Het verkrijgen van rechten in Israël is in veel gevallen afhankelijk van het feit of de persoon in het leger gediend heeft.

 

In Israël is 20% van de bevolkingArab Israeli’. De dorpen en steden waar zij oorspronkelijk vandaan komen, zijn verwoest. Zij hebben geen recht op terugkeer. Daar tegenover staat dat elke jood een Right of Return heeft; dit betekent dat elke jood, waar ter wereld geboren het recht heeft om in Israël te leven. 

 

Israël probeert die 20% niet te laten groter worden. De Palestijnen in Israël kampen met beperkingen op hun bestaan. Ze hebben niet het recht hun dorpen of steden uit te breiden, noch hebben zij het recht ergens anders een nieuwe stad te ontwikkelen. Er is dus geen demografische groei van hun leefgebied. Ze hebben het recht om te bouwen reeds uitgeput.

 

De Family Reunification Law van 2002 ontziet zelfs indirect het basisrecht van het kiezen van een eigen echtgeno(o)t(e) en de keuze van vestiging samen. Een Palestijn van de bezette Palestijnse gebieden die met een Israëlische burger getrouwd is, krijgt de Israëlische nationaliteit niet. Ook echtgenoten van Libanon, Syrië, Iran of Iraq krijgen geen Israëlische nationaliteit.

 

Het beleid dat Israël nu voert, is slim. Het is verborgen. Het is niet zo openlijk als bussen of trucks vol met Palestijnen af te voeren. Ze doen het op een andere manier, met wetten en met het beleid. Ze zorgen ervoor dat er nu een nieuwe generatie Palestijnen is die droomt van een toekomst buiten Israël.

 

 

Nurit Peled

 

Tijdens de conferentie werd er naar een filmpje gekeken waarin Nurit Peled geïnterviewd werd over haar onderzoek naar Israëlische schoolboeken. Schoolboeken worden in Israël niet uitgegeven door het Ministerie van Onderwijs, maar moeten wel goedgekeurd worden door het Ministerie. Peled heeft enkele van die schoolboeken aan een onderzoek onderworpen om na te gaan hoe Palestijnen in de Israëlische schoolboeken worden voorgesteld.

 

Het eerste dat meteen opviel was dat er zeer weinig afbeeldingen waren van Palestijnen. Als Palestijnen al werden afgebeeld, werden ze meestal voorgesteld als vluchtelingen, terroristen of stenengooiers, boeren met aftandse en prehistorische werktuigen, of simpelweg als afwezigen. Vaak werd er enkel naar Palestijnen verwezen als het probleem, het ‘Palestijnse probleem’, zoals in een groep, als een collectieve bedreiging. Ook wordt er naar de Palestijnen verwezen als niet-joden, niet-wij.

 

Landkaarten van Israël tonen in de schoolboeken steeds het ‘Greater Israel’, waarbij de Palestijnse gebieden en Israël één geheel vormen. Ze tonen ‘the land of Israel’, in tegenstelling tot ‘the State of Israel’, met als gevolg hele generaties Israëli’s die niet weten waar de grenzen van hun eigen land liggen. Op geen enkele kaart is de Groene Lijn vermeld.

 

In de statistieken worden Palestijnen nooit vermeld. Er zijn geen data over. De gedachte is: als er geen data zijn, zijn er ook geen mensen. Bij de statistieken staat meestal een disclaimer dat de cijfers enkel gelden voor de joodse inwoners van Israël. Op die manier wordt een out-groep gecreëerd. Stukken kaart waar Palestijnen wonen worden zonder kleur voorgesteld, alsof het stukken zijn die wachten op inwoners.

 

Volgens Peled zijn de Israëlische schoolboeken eerder militaire manifesten, waarbij de dood, de zelfopoffering en de strijd voor het vaderland verheerlijkt worden. De dood van Palestijnen wordt altijd voorgesteld als iets wat natuurlijk jammer is, maar nodig was voor het behoud van Israëlische staat. Vaak worden er excuses gebruikt wanneer het gaat over operaties waar veel mensen gestorven zijn; dan wordt er gezegd dat de luidspreker niet werkte, dus dat het leger de mensen niet kon waarschuwen, of dat de soldaten niet wisten dat er mensen aan het schuilen waren in de huizen.

 

Over vluchtelingen wordt gezegd dat het hen werd toegestaan om te blijven, dat ze niet begrijpen waarom ze weggegaan zijn. Palestijnen worden voorgesteld als gierige mensen, mensen die geen stukjes land willen geven voor het algemeen goed, voor het bouwen van speelplaatsen enzovoort. Het woord Palestijnen wordt zeer zelden tot nooit gebruikt, in plaats daarvan gebruiken ze het woord Arabieren, om zo te verwijzen naar de andere Arabische landen waar de Palestijnen naar toe kunnen gaan.

 

Volgens Peled is het probleem dat de Israëlische jongeren na de lagere school en de middelbare school direct naar het leger gaan. Wanneer ze na hun legerdienst naar de universiteit gaan, is het vaak de eerste keer dat ze in contact komen met Palestijnen, en dat ze een meer kritische kant van het verhaal horen.

 

Het is moeilijker een mythe te doorbreken, dan er een te creëren.

 

Besluit

 

Deze conferentie wou onderzoeken of Israël een Apartheidsstaat is, maar ging vooral over hoe de Apartheidspolitiek te doorgronden en tegen te werken.

 

Het is pas wanneer geweten is hoe de Apartheidspolitiek in haar werk gaat, namelijk door het praktisch segregeren van beide bevolkingsgroepen, door joodse schoolkinderen te beïnvloeden door middel van schoolboeken, en door het afschilderen van de andere bevolkingsgroep als gevaarlijk en slecht, dat er kan tegen in gegaan worden.

 

De sprekers gingen elk op hun eigen manier in tegen deze politiek. Neve Gordon door het creëren van zijn eigen niet gesegregeerde school en Khulood Badawi door het spreken op conferenties, het deelnemen aan de plaatselijke politiek. Door om te gaan met joodse Israëli’s doet ze precies het tegenovergestelde van wat de Israëlische segregatiepolitiek wil.

 

Sophie Forrez

 

 


[1] Het Apartheidverdrag werd op 30 november 1973 aangenomen door de Algemene Vergadering met 91 voorstemmen, 26 onthoudingen en 4 tegenstemmen (Portugal, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Zuid-Afrika). Het is in werking getreden op 18 juli 1976.

[2] Convention on the Suppression and Punishment of the Crime of Apartheid, New York, 30 November 1973 by John Dugard Professor of International Law Department of Public Law, Faculty of Law, Leiden University

 

[3] De facto, aangezien de Groene Lijn niet de juridische grens van Israël is.

[4] Poll: Young Israelis moving much farther to the right politically, Haaretz, Or Kashti | Mar. 31, 2011

 

 

© Palestina Solidariteit vzw 2016